Mona Keijzer heeft geen boodschap aan het werk van goede doelen

Op 1 juli heeft staatssecretaris Keijzer de vragen van de vaste commissie EZK beantwoord en naar de Tweede kamer gestuurd. Dit naar aanleiding van het wetsvoorstel voor de invoering van de opt-in voor telemarketing dat zij op 25 maart naar de Tweede Kamer stuurde. Door vijf politieke partijen werden kritische vragen gesteld over de positie van goede doelen. De strekking en de inhoud van de beantwoording is ronduit teleurstellend. Het is duidelijk dat de staatssecretaris er geharnast en star in zit en geen enkele boodschap heeft aan de maatschappelijke rol van goede doelen en de wijze waarop goede doelen steun en hulp vragen voor het werk dat zij doen.

Wij laten het hier natuurlijk niet bij zitten en zullen onze inspanningen krachtig voortzetten tijdens het zomerreces (3 juli t/m 31 augustus) en daarna. Inmiddels zijn de lobbystrategie en -acties in afstemming met leden daar op aangescherpt. Uit onze contacten met de Tweede Kamer blijkt dat er waarschijnlijk toch ruimte komt zodat recht gedaan kan worden aan de bijzondere positie van goede doelen. In augustus volgt hierover meer nieuws.  

Bijzondere positie goede doelen
Goede doelen moeten het publiek kunnen vragen om hulp en steun. Dat doen zij niet voor zichzelf, maar omdat er een ramp is, een ziekte moet worden bestreden of vanwege andere maatschappelijke vraagstukken. Hierin verschillen zij fundamenteel van commerciële partijen. Het kan niet zo zijn dat een staatssecretaris goede doelen over één kam scheert met commerciële partijen’, zegt Margreet Plug, directeur Goede Doelen Nederland.

Klein aandeel én gerichte benadering
Goede doelen bellen in de regel alleen mensen die al aangegeven hebben te sympathiseren met het betreffende maatschappelijke doel. Een gerichte benadering dus. Dit blijkt ook uit het gegeven dat van de 80 miljoen jaarlijkse telefoontjes slechts 6% van goede doelen komt. In die zin hebben goede doelen maar een klein aandeel in de telefoontjes. Bovendien wijst aanvullend onderzoek uit dat burgers in overgrote meerderheid geen bezwaar hebben tegen een telefonische benadering door goede doelen. Dit is wezenlijk anders dan het Kantar onderzoek uitwijst dat in opdracht van de overheid is uitgevoerd en de basis vormde voor het wetsvoorstel.

Geen krimp
Desondanks geeft de staatssecretaris geen krimp en lijkt ze dus op geen enkele manier tegemoet te willen komen aan de bijzondere positie van goede doelen. Ons pleidooi om goede doelen een uitzonderingspositie te geven, wordt snoeihard afgewezen', aldus Plug.

Hoofdlijnen van de beantwoording

  • Wat betreft de huidige coronacrisis vindt Keijzer dat goede doelen maar innovatief moeten zijn om binnen de anderhalve meter samenleving het werk voort te zetten en ziet geen reden om het wetsvoorstel als gevolg van een tijdelijk crisis aan te passen.
  • ​Het Zest onderzoek ziet Keijzer als ondersteunend aan het wetsvoorstel. Er is weliswaar een positieve grondhouding tegenover goede doelen, maar deze positieve grondhouding heeft ook grenzen (52,3% stelt het niet op prijs om door goede doelen gebeld te worden).
  • Op een mogelijk verlies van inkomsten van goede doelen als gevolg van de invoering van het  opt-in regiem zet de staatssecretaris het mogelijke verlies van jaarlijks ongeveer 100 miljoen in het perspectief van de totale inkomsten filantropie van 5,7 miljard.    
  • Een uitzondering opt-in voor goede doelen, al dan niet in combinatie met zelfregulering, wordt door de staatssecretaris afgedaan als alleen maar leidend tot nóg meer verwarring en onduidelijkheid voor de consument. Daarom wordt er geen onderscheid gemaakt.   
  • Over een mogelijke verruiming van de klantrelatie zegt zij dat je iemand die geen schenking doet, maar wel aantoonbaar sympathiseert met een goed doel, als klantrelatie zou kunnen zien. Echter, na afweging van de belangen besluit zij toch niet te kiezen voor een ruimer begrip van de klantrelatie.
  • Over de relatie met de beleidsvisie op filantropie van het kabinet zegt zij dat het kabinet een belangrijk onderscheid maakt tussen stimuleren om te geven en stimuleren van mogelijkheden om te vragen. Met andere woorden: in de beleidsvisie zit geen toezegging om de mogelijkheden om te vragen te stimuleren. 

 

Laatste Nieuws
Meer nieuws